zondag 30 maart 2014

FOTO'S UIT DE WIERSHOECK- EN SCHOOLTUIN (179)

Het was afgelopen dinsdag best wel een aangename dag, maar er stond redelijk veel wind. Ik denk dat die wind er de oorzaak van was dat er bijzonder weinig viel te beleven op de tuinen van De Wiershoeck en de Kinderwerktuin. Ik maakte daardoor relatief weinig foto’s van slechts een paar onderwerpen. Maar dat deed ik wel met veel plezier.

De honingbijen waren niet bijzonder actief. Gelukkig zag ik werkster (vlieg- of haalbij) met goed gevulde “korfjes”. Vliegbijen zorgen er voor dat de in het bijenvolk benodigde grondstoffen (nectar, stuifmeel, propolis en water) worden gevonden en gehaald. Een honingbij met een paar forse klompen stuifmeel aan haar achterpoten vind ik altijd een aantrekkelijk onderwerp om te fotograferen. De honingbij rechtsboven heeft niet een alternatieve manier bedacht om stuifmeel naar het nest te vervoeren, maar ze liep op de boerenkool langs een blad waarop ze (of een andere bij) had gepoept en daardoor bleef er een beetje bijenpoep op haar rug plakken.

Gelukkig kwam ik ook nog een paar andere bijen tegen, zoals de solitaire bij rechtsonder. Deze bij is duidelijk kleiner dan een honingbij en ook de beharing is anders. Doordat ik enkele dagen afwezig was heb ik geen tijd gehad om uit te  vissen welke soort solitaire bij het is.

Oppervlakkig gezien lijkt het insect links onder wel een beetje op een honingbij, maar het is een zweefvlieg. Het zou één van de diverse soorten bijvliegen kunnen zijn. Bijen, wespen en hommels zijn zogenaamde vliesvleugeligen en ze hebben allemaal vier vleugels. Zweefvliegen (en alle andere vliegen en muggen) hebben slechts twee vleugels, maar het verschil is vaak moeilijk te zien.
De vliesvleugeligen danken hun naam aan de dunne en doorzichtige vleugels. Maar de vleugels van veel “tweevleugeligen” zijn net zo dun en doorzichtig als die van de vliesvleugeligen.
Een ander, al evenmin altijd duidelijk zichtbaar, verschil is de taille. Een zweefvlieg heeft vaak geen taille, de meeste vliesvleugeligen wel.

Gelukkig zijn er ook duidelijker verschillen. Vliegenogen zijn bijna rond en vullen een groot deel van de kop, ogen van vliesvleugeligen zijn langwerpig (ze lijken nijdig te kijken) en vullen een minder groot deel van de kop.
Ook de manier waarop de insecten vliegen is verschillend. Ten opzichte van de veel zwaardere hommels, bijen en wespen zijn zweefvliegen heel wendbaar en hebben ze het vermogen perfect stil te hangen in de lucht, te “zweven”; vandaar ook hun naam.

Nog duidelijker is het verschil in de antennes (voelsprieten). Bij zweefvliegen zijn de (erg kleine) antennes drieledig en onbeweeglijk, vliesvleugeligen hebben lange, beweeglijke antennes met meer dan drie leden. De antennes van wespen zijn over het algemeen langer dan die van bijen.
De antennes kunnen zintuigen van velerlei aard bevatten: zowel reuk- smaak- als tastzin of gehoor komen veel voor. De vorm, kleur, (eventuele) beharing en het aantal geledingen van de antennes zijn belangrijke hulpmiddelen bij het determineren van veel soorten insecten.

Info: Wikipedia

Foto + tekst: Luit Staghouwer

Geen opmerkingen:

Een reactie posten