zondag 27 april 2014

FOTO'S UIT DE WIERSHOECK- EN SCHOOLTUIN (183)

Binnenkort vliegen de “witjes” weer in grote getale op de tuinen. Is het een groot of een klein koolwitje? Of is met misschien een klein geaderd witje? Ja, het groot geaderd witje bestaat ook, maar die is sinds 1975 uit ons land verdwenen. Het groot, klein en klein geaderd witje vliegen bij benadering in dezelfde periode en het zijn vlinders die algemeen in het hele land voorkomen.
De witjes komen soms alle drie door elkaar voor, maar je kunt wel onderscheid maken tussen favoriete leefgebieden. Het klein geaderd witje is vooral in de natuurlijke landschappen aanwezig. Vochtige graslanden, bossen, bosranden en parken zijn het meest geliefd. Het klein koolwitje is het meest voorkomende koolwitje. Overal kun je deze vlinder tegenkomen: midden in de stad, in bossen, in de tuin, op heidevelden of in uitgestrekte akkerlanden. Het groot koolwitje is een echte moestuinbewoner, die je vooral in de buurt van de bebouwing tegenkomt.

Het klein koolwitje en het klein geaderd witje zijn ongeveer gelijke groot, het groot koolwitje is iets groter, maar het is millimeterwerk en de grootte wordt bepaald in de “rupsenperiode”, want die fase is het groeiproces van de vlinder.

Handig bij het bepalen van de juiste is soort en het geslacht is de tekening op de bovenkant van de voorvleugel. Bij het groot koolwitje loopt de zwarte vlek op de bovenkant van de voorvleugelpunt verder door naar beneden dan bij het klein koolwitje. Het mannetje en het vrouwtje van het klein koolwitje hebben op de voorvleugel twee vlekken; bij het vrouwtje zijn deze vlekken groter en zwarter dan bij het mannetje. Bij het groot koolwitje heeft alleen het vrouwtje twee zwarte vlekken op de bovenkant van de voorvleugel. Ook het klein geaderd witje heeft een zwarte vlek in de voorvleugelpunt en op de bovenkant van de voorvleugel bevinden zich bij het mannetje één en bij het vrouwtje twee donkergrijze of zwarte vlekken. Maar deze vlekken zijn niet altijd even duidelijk te zien.

De wetenschappelijke naam van het klein geaderd witje (Pieris napi) verwijst naar Brassica napus (koolzaad), één van de waardplanten. De Nederlandse naam slaat op de aders in de vleugels. Bij het klein geaderd witje zijn de aders op de onderkant van de achtervleugel grijsgroen bestoven, dit is echter in de zomer aanzienlijk minder duidelijk dan in het voorjaar. De soort is dan niet makkelijk te onderscheiden van het klein koolwitje.
Het witje op de foto is dus een klein geaderd witje en het zal een mannetje zijn. Over het algemeen zijn de vleugels van de mannetjes aan de bovenzijde bijna geheel wit, vooral bij de eerste generatie. De mannetjes van de latere generaties hebben nooit meer dan één enkele zwarte stip. De stip kan echter bij sommige exemplaren heel erg bleek zijn en is soms nauwelijks zichtbaar.
De vlinders vertonen grote variatie in kenmerken, zodat veel lokale ondersoorten en vormen worden onderscheiden.

Het rupsstadium van het klein geaderd witje duurt 11 tot 22 dagen, wat al een vrij grote spreiding in tijd is. Het popstadium kan ook enorm verschillen. Als de pop zich snel ontwikkelt tot imago duurt het zo'n 7 tot 13 dagen, voor hij uitkomt. Maar sommige poppen overwinteren eerst, en dan kan het popstadium 150 tot 330 dagen duren. Zo kunnen eitjes die gelijk uitkomen op heel verschillende tijdstippen tot vlinder uitgroeien. Deze "risicospreiding" is waarschijnlijk een overlevingstactiek van de soort. Mannetjes ontpoppen meestal enkele dagen voor vrouwtjes. Het imago leeft 9 tot 18 dagen.

Info: Wikipedia, Vlinderstichting en SoortenBank.nl

Foto + tekst: Luit Staghouwer

Geen opmerkingen:

Een reactie posten