zondag 21 december 2014

FOTO'S UIT DE WIERSHOECK- EN SCHOOLTUIN (214)

(Ondergetekende zag deze ingezonden bijdrage over het hoofd. Pardon voor een eerder gepubliceerd bericht al zou Luit Staghouwer een winterstop houden)
Deze nachtvlinder vloog op van de zuidmuur van De Wiershoeck en ging zitten op het voetpad naast de boerderij. Dan vraag je als vlinder om problemen en daarom heb ik hem voorzichtig op de begroeiing tegen de muur gezet. Maar niet nadat ik eerst een foto had gemaakt en ook na deze “reddingsoperatie” maakte ik nog een paar foto’s.

Een vlinder “midden in de winter”, is dat niet vreemd? In dit geval niet, want het is de grote wintervlinder (de kleine wintervlinder bestaat ook). Bij veel nachtvlinders is het verschil tussen de seksen duidelijk te zien. Mannetjes hebben soms hele borstels als antennes, of hebben er allemaal weerhaakjes aan. Door het grote oppervlak van de antennes kan het mannetje de door het vrouwtje verspreide seksferomonen (lokstoffen) goed ruiken. Deze grote wintervlinder is duidelijk een mannetje, maar voor die conclusie hoef je niet naar de antennes te kijken. Vrouwtjes van deze soort hebben geen vleugels en worden 8 à 10 millimeter lang. Ze lijken op een zwart met wit gespikkelde larve met pootjes. Ze kunnen niet vliegen. Ze kruipen over de takken van bomen, paren daar en leggen daar ook hun eitjes.

De grote wintervlinder is een dagactieve nachtvlinder, het mannetje heeft een spanwijdte tussen de 40 en 44 millimeter. De voorvleugels zijn variabel van patroon en van kleur. Over de voorvleugel lopen meestal twee bruine of zwartachtige dwarsbanden die nogal onregelmatig van vorm zijn; meestal is ook een donkere centrale vlek aanwezig. De grondkleur varieert van gebroken wit tot oranjebruin. De achtervleugel is gewoonlijk gebroken wit met een centrale donkerbruine vlek. Regelmatig komen ook zwartgespikkelde vlinders zonder verdere tekening voor.

De vlinder “vliegt” in één generatie van begin oktober tot eind december en komt zeer algemeen voor in bossen, struwelen, heiden en ruige graslanden; soms ook in tuinen. De soort overwintert als ei op de waardplant (loofbomen, vooral eik). In het voorjaar komen de eitjes massaal uit en de rupsen (april-juni) zijn geweldig mezen- en spreeuwenvoer. Het ene jaar is het andere niet, maar er zijn jaren bij dat hele bossen en lanen, maar ook boomgaarden, volledig kaal gevreten worden door de rupsen. In de meeste jaren valt dat gelukkig wel mee. De rupsen die de vraatzucht van de vogels hebben overleefd, laten zich aan zijden draden zakken naar de grond. In de grond ontwikkelt de rups zich uiteindelijk weer tot vlinder. Na de eerste nachtvorst in oktober vliegen de mannen weer uit en de vrouwtjes kruipen weer naar de toppen van de bomen.

Wintervlinders zijn in staat om een heel hoog suikergehalte aan te maken in hun bloed. Dit suikergehalte vormt als het ware een soort antivries en behoedt het insect tegen bevriezing.

Info: Vlindernet, Wikipedia en Natuurmonumenten

Foto + tekst: Luit Staghouwer

Geen opmerkingen:

Een reactie posten