zondag 15 november 2015

FOTO'S UIT DE WIERSHOECK- EN SCHOOLTUIN (252)


Vaak beschouwen we de geboorte van een baby als een wonder en dat is het wat mij betreft ook. Maar is niet elke vorm van nieuw leven een wonder? Een reus van een kastanjeboom komt ook niet zo maar uit de lucht vallen. Eerst moet de bestuiving plaatsvinden. Bestuiving is een belangrijke stap in de voortplanting van zaadplanten: de overdracht van stuifmeelkorrels van het mannelijke deel van een bloem naar het te bevruchten vrouwelijke deel van een bloem. Of van een mannelijke bloem naar een vrouwelijke bloem. Soms zitten de mannelijke en vrouwelijke bloemen op de zelfde plant, soms zitten ze op verschillende planten. 


De voortplanting van mens en dier vindt, zoals algemeen bekend, niet door bestuiving plaats, maar ook daarvoor is meestal zowel een mannelijke als een vrouwelijke bijdrage vereist. Dit is de seksuele voortplanting. Er bestaat echter ook nog zoiets als de maagdelijke voortplanting (aseksuele reproductie). Vrouwtjes van bepaalde diersoorten kunnen nakomelingen krijgen zonder dat hier mannetjes aan te pas komen. De nakomelingen van maagdelijke voortplanting zijn gewoonlijk vrijwel uitsluitend vrouwtjes. Voorbeelden: de Indische wandelende tak, sommige kevers en vele bladluizen, maar ook sommige hagedissen, salamanders en slangen. 


Ook het groeiproces van pasgeborene naar volwassene is vaak heel bijzonder. Een skelet of geraamte geeft de nodige stevigheid aan een lichaam. Bij mensen, zoogdieren, reptielen, vogels en andere gewervelden is het skelet het samenstel van botten (of graten). Het skelet groeit mee. Baby's hebben omstreeks 300 minuscule botjes, naarmate een baby ouder wordt groeien die, en sommige groeien aaneen. Een compleet menselijk skelet bestaat uiteindelijk (meestal) uit 206 botten.


Insecten hebben ook een skelet, maar dat skelet zit aan de buitenkant en wordt exoskelet genoemd. Dit exoskelet groeit echter niet mee en moet daarom regelmatig worden vervangen. Insecten en andere geleedpotigen als kreeftachtigen en spinnen moeten daarom meerdere keren vervellen. Als het daar bij blijft dan spreken we over een onvolledige gedaanteverwisseling. Wantsen bijvoorbeeld ondergaan zo’n onvolledige gedaanteverwisseling. Omdat het externe skelet niet meegroeit, vervelt de jonge wants vijf keer. Het nieuwe skelet is eerst nog zacht en de nimf (jonge wants) kan dan dus iets groeien. Bij elke vervelling krijgt de nimf meer kenmerken van het uiteindelijke volwassen exemplaar. Na de laatste (vijfde) vervelling is de wants volwassen. Steeds ‘barst’ het insect uit zijn oude huid. Soms kom je zo’n oud huidje, het externe skelet tegen (bovenste foto’s).


Insectensoorten met een volledige metamorfose hebben een larve- en popstadium. Uit het ei komt een larve, die meestal niet op het volwassen insect lijkt en zich vaak ook met andere dingen voedt. Veel larven zijn echte vreters, volwassen insecten voeden zich soms helemaal niet meer. 

Na een aantal (minimaal drie, meestal vijf) vervellingen treedt er een popstadium op, waarin het dier een tijd in uitwendige rust verkeert, terwijl het inwendig in de pop een complete vormverandering doormaakt. Via het popstadium wordt een rups een vlinder, een made een vlieg of mug en een keverlarve (zoals een engerling, of ritnaald) een kever. De imago (de volwassen vorm) zoekt een partner en plant zich voort. Bij veel insecten is de als larve doorgebrachte levensduur een veelvoud van die als volwassen insect. Een voorbeeld zijn de eendagsvliegen, die zelfs maar enkele uren tot dagen na de verpopping sterven, maar een jaar als larve onder water doorbrengen.
Zo te zien is de verpopping in dit geval geslaagd en is er uit de pop (onderste foto) een vlinder tevoorschijn gekomen. Waarschijnlijk een koolwitje.

(Info: Wikipedia)


Foto + tekst: Luit Staghouwer

Geen opmerkingen:

Een reactie posten