zondag 22 november 2015

FOTO'S UIT DE WIERSHOECK- EN SCHOOLTUIN (253)


In deze periode zie je steeds minder insecten op de tuinen en dus richt ik mijn blik ‘noodgedwongen’ steeds vaker op andere onderwerpen. Zo zag ik deze witte sprietjes boven de grond uitsteken. Het kon niet missen, dat waren geweizwammetjes. Het is een in de herfst erg veel voorkomend zwammetje, maar is het hele jaar in het bos te vinden. Om het geweizwammetje goed te kunnen fotograferen, heb ik het takje uitgegraven. Na de fotosessie heb ik hem uiteraard teruggebracht naar z’n oude stek.

Op dode takken en stronken van loofbomen kan de geweizwam worden aangetroffen. De naam ontleent deze paddenstoel aan zijn vorm. De witachtige kleur die de geweizwam in het begin van zijn bestaan heeft wordt veroorzaakt door een laagje sporen. Deze witte sporen (conidiën) horen bij de ongeslachtelijke voortplantingsfase van deze paddenstoel. Wanneer we de zwammetjes bij droog weer even aantikken verschijnt een wit wolkje sporenstof. De nakomelingen die uit deze sporen voortkomen zijn identiek aan de ouderpaddenstoel.

In een later stadium van zijn bestaan gaat het geweizwammetje over tot de geslachtelijke fase. De kleur verandert dan naar zwart en de sporen zitten niet meer aan de buitenkant, maar in speciale holten, de zogenaamde peritheciën. Deze holten hebben fijne poriën waardoor de ascosporen naar buiten komen. Deze minuscule boonvormige, zwarte ascosporen bevatten slecht de helft van het genetisch materiaal van de zwam. Om zich tot een nieuwe zwam te ontwikkelen hebben deze sporen een “partner” nodig. Vanuit de spore ontwikkelt zich een microscopisch dun schimmeldraadje. Ontmoet dit draadje een schimmeldraadje van een soortgenoot, dan groeien ze als één draad verder met een combinatie van de eigenschappen van beide “ouders”.

Over het nut van geslachtelijke voortplanting wordt door biologen veel gefilosofeerd. Als je je ongeslachtelijk voortplant weet je wat je hebt en wat je krijgt: een kloon van de ouder. Dat je de kans krijgt je voort te planten toont sowieso aan dat je de harde strijd om het bestaan voorlopig overleefd hebt. Geslachtelijke voortplanting zorgt altijd voor verrassingen. Er ontstaat een nieuw individu uit de mix van het genetisch materiaal van de ouders. Dat kan gunstig uitpakken onder moeilijke of veranderende omstandigheden. De nakomeling is misschien wel heel goed toegerust om nieuwe omstandigheden het hoofd te bieden, waardoor zijn overlevingskansen toenemen. Het tegendeel kan echter ook het geval zijn.

Er worden ongetwijfeld meer conidiën gevormd dan ascosporen. Welke van beide meest effectief zijn voor de nakomelingschap moet nog onderzocht worden. Een ding staat vast: ze produceren véél nakomelingen, geweizwammetjes zijn immers zo algemeen als haar op een hond, zo talrijk.



Foto + tekst: Luit Staghouwer

Geen opmerkingen:

Een reactie posten